Matthijs den Dekker

Stel vragen, zoek God, reis mee. Verhelder je blik. | Een blog sinds 2013

De reden [kort verhaal]

Een reactie plaatsen

Vandaag is Goede Vrijdag. Voor deze gelegenheid plaats ik niet een blog zoals normaal, maar heb ik een verhaal geschreven (hij is eerder al eens op mijn oude blog geplaatst). Het is inmiddels traditie.

De reden

Zwijgend porde Tim met zijn stok in het kampvuur. De marshmallow aan het eind was allang verkoold tot een plakkerig laagje zwart dat stonk naar verbrande karamel. Het maakt weinig uit. Hij hield helemaal niet van die mierzoete dingen. Maar ja, het hoorde er nu eenmaal bij, bij een kampvuur. Dat, of van die stokken met brooddeeg. De klanten wilden het en hij had al helemaal geen zin om deeg te kneden en dat drie dagen mee te sjouwen. Marshmallows dus.
Hij keek toe hoe Ruben voorzichtig zijn gesmolten marshmallow tussen twee kaakjes klemde. Tim zou hem willen waarschuwen dat het heet was, maar hij hield zijn mond. Zoals hij altijd deed. De stilte tussen hen was tastbaar, maar niet onaangenaam. Tim hield van de stilte, van zwijgen. Het louterde, hoewel hij het zich noodgedwongen eigen had gemaakt. Hij zag hoe Ruben voorzichtig tegen de hete suikermassa blies en het omzichtig in zijn mond stopte. De man begon zich te ontspannen. Zijn bewegingen werden minder schielijk, de plooien in zijn nek streken zich langzaam glad en zijn ogen werden rustiger.

Het zou zo wel komen. Het kwam altijd. Na een opgekropte uitbarsting van hen die de stilte bestreden of na ontspanning van hen die de stilte als een bondgenoot omarmden. Ruben behoorde duidelijk tot de laatste categorie. Hij was nerveus geweest toen ze elkaar voor het eerst ontmoet hadden. Zijn ogen schoten schichtig heen en weer toen hij Tim vanmorgen de hand drukte. Zijn hand trilde zwak toen hij die in een achteloos gebaar, een tic bijna, door zijn haar haalde. Tim zag hoe ook zijn hand tot rust leek te zijn gekomen.
Ze waren nu een dagreis ver de bossen in. Tijdens de rit in de jeep had Ruben gezwegen. Onwennig met het idee drie dagen met een vreemdeling de bossen in te trekken en dat nog wel als een soort therapie. Langzaam liet Tim zijn ogen over Ruben glijden. Na de rit van een uur in de jeep hadden ze de rugzakken uitgeladen, omgehesen en waren ze de wildernis ingetrokken. Ruben praatte, eerst nerveus, om de stilte te vullen, later vriendschappelijk, toen de ontspanning kwam. Toch zei hij weinig. Tim luisterde.
Tim kon in al zijn gepraat nog geen aanwijzing ontdekken over de Reden. De Reden van deze reis. Soms kwam die Reden snel, aan het begin van de drie dagen, in een zucht van opluchting. Soms ging het moeizaam en moest Tim het met zijn ogen eruit trekken. Uiteindelijk kwam het altijd. Iedereen had er één om zich aan deze uitzonderlijke therapie te wagen. De Reden om de stilte te doorbreken.
Door zijn zwijgen kwam het er altijd uit. Tim was opgehouden met ernaar te raden. Hij kende mensen, door en door, hij zag de kleine aanwijzingen die er waren. De Reden was echter privé, die was zo diep verborgen dat zelfs Tim er niet naar raden kon. Dat wilde hij ook niet.

Ruben had alweer een nieuwe marshmallow te pakken. Zijn ogen gleden naar die van Tim en bleven even hangen voordat ze zich weer op het vuur richtten. Een goed teken.

Tim was stom geboren. Hij had nooit kunnen praten. Altijd als hij alleen was had hij de stilte als vijand. In zijn kindertijd had hij wanhopig lopen stampen, trommelen, bonzen en tikken als hij alleen was. Zijn manier om de stilte te verdrijven. Later had hij muziek ontdekt. Muziek die niet alleen de stilte vulde, maar ook kon zeggen wat hij niet kon. Tot hij merkte dat de muziek koos wat hij wilde zeggen en niet andersom. Toen was de stilte gekomen. De stilte van vijand naar vriend, dacht hij vaak.

Met de stilte kwamen de mensen. Blijkbaar was het geruststellend, iemand die niet kon praten, die je geheimen niet doorvertelt. Die zich nooit verspreekt. Niemand zou het horen. En zo was hij gaan luisteren.
Drie dagen in de bossen kamperen met mannen die beluisterd wilden worden. Mannen die altijd in hun achterhoofd hadden: hij zegt niets terug, hij kan er nooit tegen ingaan. Hij veroordeelt nooit. Hij had alles al gehoord, van mannen die onder tranen bekenden met de secretaresse, buurvrouw, oppas, postbode of een willekeurige scharrel uit een willekeurige bar naar bed te zijn gegaan, tot mannen die bijna terloops een moord beschreven. Het ging er allemaal in en het kwam er nooit uit. Het was vreemd hoe vertrouwelijk mannen werden -altijd mannen, vrouwen deed hij niet- als ze in volstrekte eenzaamheid hun verhaal kwijt konden aan iemand die nooit wat terug zou zeggen. Voor iedere klant begon de stilte als een martelgang, korter of langer, maar het was het altijd waard. Dat was wat ze hem zeiden.

Langzaam begon het vuur uit te doven en Tim keek onderzoekend naar Ruben. Die keek bijna smekend terug en Tim gooide een nieuw blok op het vuur om de avond nog wat te laten duren. Hij zag Ruben slikken. Nu kwam het. Het verhaal. De Reden.
“Je zult je wel afvragen waarom ik hieraan begonnen ben.” Rubens krakende stem zette het zwijgen moeizaam aan de kant. Bemoedigend knikte Tim hem toe. “Waarschijnlijk zul je me wel een klootzak vinden.” Tim schudde van nee. Dat was ook zo. Hij was oneindig gefascineerd door mensen. Hij wilde naar binnen kijken, speuren naar wat hen bewoog. Zijn zwijgen lokte meer reactie uit dan de vragen van een psychiater. Hij liet hun verhalen toe in zijn hart en gaf een stille bewogenheid terug.
“Weet je, eigenlijk ben ik een aardige man, ik kan niet tegen confrontaties.” Tim zweeg. De verse marshmallow aan Rubens stok begon vergeten te sissen tot een geelgroene vlam eruit braakte en ook die marshmallow zwart kleurde. Tims ogen luisterden. Ze zogen de woorden op. Het verhaal kwam eruit. De hele roetzwarte Reden werd voor zijn stille ogen uitgerold.

Tim luisterde en Ruben vertelde. Het raakte hem diep. Dit was het moment waarop hij zich machteloos voelde. Hij kon luisteren en niks terugzeggen, hij moest de woorden door zijn hoofd laten gaan zonder met troostende adviezen een schild voor zijn hart te plaatsen. Dit was ook het moment waarop zijn klanten het meest geraakt werden. Het was schokkend troostend je verhaal te doen aan een wildvreemde en in zijn ogen de machteloosheid van het niet kunnen helpen te zien. Wat dat betreft voelde Tim zich een geketende priester, die de biecht aanhoorde, maar geen te absolvo uit kon spreken. Hij kon de ander geen Weesgegroetjes of Paternosters opleggen. Hij kon alleen maar luisteren en de ander moest het zelf doen. Zijn aantrekkingskracht voor anderen was dat hij niet kon veroordelen, de vloek voor hemzelf was dat hij niet kon vrijspreken.

De rest van de drie dagen sprak Ruben niet meer. Hij had het begrepen en na het kampvuur de stilte omarmd. Hij hielp zichzelf. Pas toen ze na de terugrit weer uit de jeep stapten, sprak hij weer, simpel en kort. “Bedankt.” Tim drukte hem de hand. Nadat hij Ruben nagekeken had stapte hij weer in zijn jeep en reed naar huis. Soms vroeg hij zich af of hij niet te veel te lijden had onder dit werk. Zijn gedachten maalden over elk verhaal dat hem verteld werd, elk woord drong genadeloos door in zijn geest. Hij was moe. Elke Reden moest niet alleen door de klant verwerkt worden, maar ook door Tim zelf. Hij zoog het allemaal op en het kwam er nooit uit. Schrijven lukte niet, spreken kon hij niet, de gebarentaal was ontoereikend. Het enige wat hij kon was denken. Absorberen.
Langzaam reed hij zijn jeep de garage in. Hij trok de sleutel uit het contact en bleef nog even zitten. Zoals anderen woorden eruit gooiden probeerde hij gedachten eruit te gooien. Het lukte niet. De reden van de ander was nu van hem.

 

(Fotocredit: Casey Horner)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.